subsidiënten | colofon

Tagcloud: UIT / AAN

Opening 7 april om 15u door Sjaak Langenberg: 'Veldbedden in de polder'

| 2013-02-25 11:25:41

Opening Stellingname op 7 april 2013 door Sjaak Langenberg
Locatie: Kunstfort te Vijfhuizen, zie www.kunsfort.nl voor routebeschrijving
Tijd: 15 - 18 u

'Veldbedden in de polder'

Kunstenaar Sjaak Langenberg strandde 24 uur op Schiphol en bracht een slapeloze nacht door in een luxe hotel op de luchthaven. Kan dat niet anders? vroeg hij zich af. De natuur rondom een luchthaven kan verlangens aanwakkeren. Daar zie je de eerste palmboom als aankondiging van het verblijf op een tropisch eiland. Of het is juist het laatste stukje polder dat je ziet voordat je huiswaarts keert.
Reizigers komen zelden terecht in de directe omgeving van luchthavens in tegenstelling tot (invasieve) exoten die zich verspreiden in de directe omgeving van havens (via ballastwater), of planten en dieren die via luchthavens een onverwachte bestemming bereiken.
Langenberg bepleit ‘veldbedden’ in de Haarlemmermeerpolder die gestrande reizigers op Schiphol naar een onverwacht reisdoel brengen.
www.sjaaklangenberg.nl


beeld: Bach's DV-Productions  www.dv-productions.nl

Lees de openingstekst door Sjaak Langenberg:

 


Veldbedden in de polder

Kunstenaar Sjaak Langenberg strandde 24 uur op Schiphol en bracht een slapeloze nacht door in een luxe hotel op de luchthaven. Kan dat niet anders? vroeg hij zich af. De natuur rondom een luchthaven kan verlangens aanwakkeren. Daar zie je de eerste palmboom als aankondiging van het verblijf op een tropisch eiland. Of het is juist het laatste stukje polder dat je ziet voordat je huiswaarts keert.

Reizigers komen zelden terecht in de directe omgeving van luchthavens in tegenstelling tot (invasieve) exoten die zich verspreiden in de directe omgeving van havens (via ballastwater), of planten en dieren die via luchthavens een onverwachte bestemming bereiken. Langenberg bepleit ‘veldbedden’ in de Haarlemmermeerpolder die gestrande reizigers op Schiphol naar een onverwacht reisdoel brengen. 

Via de intercom van het Cals College, een middelbare school in IJsselstein werd in 1999 het volgende bericht verspreid:  'Your attention please, passengers for KLM, flight 837 to Singapore, immediate boarding please at gate B2'. Leerlingen met rugzakjes haastten zich naar de klas. De aula van het Cals College werd door mijn toedoen doelbewust iedere dag op een ander tijdstip een kwartier lang live verbonden met de omroepcentrale van Schiphol. Het geluidskunstwerk vond zijn aanleiding in het verband tussen de geluidsoverlast rond Schiphol en de interferentie die wordt veroorzaakt door de zendmast van Lopik. Je kunt in IJsselstein Radio 3 op je broodrooster ontvangen. Omroepberichten van Schiphol in een schoolaula leken mij volstrekt logisch in IJsselstein. Zonder de geluidslimieten te overschrijden, kon Schiphol uitbreiden in de verbeelding, terwijl docenten en leerlingen de school even konden ontvluchten. In de akoestische verbintenis konden ze elkaar bevrijden. De aula werd dagelijks heel even een vertrekhal. Het tijdstip waarop de verbinding werd gelegd was vooraf niet bekend, zodat de omroepberichten iedere keer als een verrassing kwamen. Goed voor je talen. Maar een beetje gemeen was het ook wel. Want terwijl leerlingen naar een klaslokaal liepen voor een pittig lesje wiskunde, hoorden ze dat op dat moment een vliegtuig naar New York, Casablanca of Hongkong vertrok.

Mijn karakterisering van een luchthaven als een plek waar vooral je fantasie een vlucht kan nemen veranderde drastisch in 2001. Niet omdat ik door het kunstproject ineens de omroepberichten met werk was gaan associëren in plaats van vakantie. Niet door 9-11. Maar door een onverwacht verblijf op Schiphol op 4 februari 2001. Op die dag vertrokken wij voor drie maanden naar Nieuw-Zeeland. Alles was tot in de puntjes voorbereid. We hadden al maanden aan onze conditie gewerkt, zodat we fit aan onze reis zouden beginnen. Conditioneel verkeerden we in topvorm.

Er werd ijzel voorspeld. Behoedzaam rijdend bereikten heelhuids de luchthaven. Daar zagen we dat ons vliegtuig een fikse vertraging had opgelopen. Die vertraging zou sluipenderwijs toenemen. Steeds een uurtje erbij. Na een tijdje hadden we de taxfree shops wel gezien. De reisliteratuur bood ook geen soelaas, want die konden we al dromen. De eerste vermoeidheidsverschijnselen veroorzaakt door het luchthavenklimaat werden merkbaar. De verveling sloeg toe.

Het Gatenummer veranderde. We werden naar de allerlaatste Gate helemaal aan het einde van een pier verwezen. Kenners hebben mij later verteld dat dit een bewuste tactiek is om relletjes die tussen passagiers en personeel uitbreken aan het zicht van de andere reizigers te onttrekken. Het werd later en later.

We aten op Schiphol. Dat was meteen aanmerkelijk minder gezond dan we de maanden daarvoor hadden gedaan. En toen uiteindelijk het vliegtuig arriveerde bleek dat er een technisch mankement was waardoor we pas de volgende dag zouden vertrekken.

Om 23.00 ’s avonds stonden we in de rij van het Sheraton Amsterdam Airport Hotel.

Lamgeslagen door de intercomberichten wachten we gelaten op ons lot voor de incheckbalie van het hotel. We waren al een dag onderweg in het wezenloze vacuüm van de luchthaven. “Dat ik dat nog mag meemaken!” riep een passagier in de rij enthousiast, zwaaiend met de folder van het Sheraton. Sommige mensen zouden uit zelfbescherming moeten worden gewaarschuwd voor de scherpe kantjes van hun optimisme.

Welcome Mister Langenberg stond er op de televisie in de luxe kamer die per nacht net zoveel kost als een enkele reis Hong Kong. Daar hadden we nu al kunnen zijn, maar in plaats daarvan zat ik met mijn been tussen de broekenpers, een wanhopige slapstick om mijn reisgezel aan het lachen te maken. Ik deed geen oog dicht. In één slapeloze nacht werd mijn zorgvuldig opgebouwde conditie totaal afgebroken.

De volgende morgen zaten we om zes uur aan het ontbijt. De stewardessen wisten toen al dat we nog later zouden vertrekken; zij begonnen pas om half acht aan hun croissantjes. Het onheil was nog niet afgewend. Tijdens het ontbijt brak een stuk van een kies van mijn reisgezel af.

Toen we eindelijk na 24 uur waren vertrokken was het in het vliegtuig ook weer raak. Vrienden hadden een cadeautje gegeven dat we pas op grote hoogte mochten openmaken. Toen we het pakketje opende zaten er tot onze verbazing teennagels in. Op de begeleidende ansichtkaart uit Schiermonnikoog stond dat deze schelpjes geluk zouden brengen. Maar zouden ze dat nog steeds doen in deze vermorzelde staat?

Sinds dit gedwongen verblijf op de luchthaven Schiphol kijk ik heel anders naar beelden van gestrande reizigers. De bekende taferelen van mensen die lamlendig tegen hun reisbagage aanhangen of op een door het Rode Kruis verstrekt veldbed de slaap niet kunnen vatten. Een jetlag komt nog harder aan als je hem oploopt terwijl je je niet verplaatst.

Kan dat niet anders? vroeg ik mij af. De natuur rondom een luchthaven kan verlangens aanwakkeren. Daar zie je de eerste palmboom als aankondiging van het verblijf op een tropisch eiland. Of het is juist het laatste stukje polder dat je ziet voordat je huiswaarts keert.

Toch komen reizigers zelden terecht in de directe omgeving van luchthavens. Ze worden per taxi, bus, metro of trein naar Amsterdam vervoerd of strandden in een anoniem hotel dat het niet zo nauw neemt met de streekeigen eigenschappen van de Haarlemmermeerpolder.

We zouden een voorbeeld kunnen nemen aan de wijze waarop invasieve exoten zich verspreiden in de directe omgeving van havens (via ballastwater), of planten en dieren die via luchthavens een onverwachte bestemming bereiken. Ieder vliegtuig met toeristen neemt miljarden parasieten, bacteriën en virussen mee. Al in de negentiende eeuw en de vroege twintigste eeuw ontdekte men bizarre en onbekende planten in de buurt van havens en spoorwegstations. (Reumer, De ontplofte aap, blz. 53)

Volgens de Definitie van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit is een exoot een plant, dier, of ander organisme, die van nature niet in Nederland voorkomt. Deze exoten komen door menselijk handelen in ons land terecht. Via de wereldwijde handel in (uitheemse) planten en dieren, door als verstekeling mee te liften in verpakkingshout, containers, boten of vrachtwagens die goederen vervoeren, of via vakantiegangers die exotische planten, vruchten of dieren meenemen naar huis. Plantenzaden kunnen ook meeliften in de vacht van dieren of in het darmkanaal van een vogel of zoogdier. Een klein deel van de exoten voelt zich prima thuis in z’n nieuwe omgeving. Deze soorten kunnen zich vestigen in onze natuur en zich snel vermeerderen. Invasieve exoten kunnen schadelijk zijn voor de natuur. Deze exoten kunnen er bijvoorbeeld voor zorgen dat inheemse planten en dieren gedeeltelijk of zelfs geheel verdwijnen.

Op internet worden invasieve exoten gedemoniseerd op websites als Stop de Invasieve Exoten. De Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit laat risicorapporten maken van de Nijlgans, de Spaanse wegslak, de Gele Maskerbloem, de Chinese wolhandkrab, de plaagmier, de Dwergmispel en de Druipzakpijp.

De rampspoed van het verdwijnen van natuur wordt door filosoof Bas Haring in zijn boek Plastic Panda’s (2011) genuanceerd in zijn zoektocht naar de waarde van de natuur en haar verscheidenheid. Er verdwijnt een hoop, maar we krijgen er van alles voor terug. Wie bepaald de waarde daarvan en hoe?

Ik wil de risico’s niet bagatelliseren, want sommige invasieve exoten kunnen gezondheidsproblemen bij mensen of economische schade veroorzaken. Maar als kunstenaar die geïnteresseerd is in het bij elkaar brengen van ogenschijnlijk conflicterende werelden - de connectie tussen Schiphol en het Cals College in IJsselstein is daar een mooi voorbeeld van -  zie ik ook onwaarschijnlijke scenario’s die de beste virale kunstwerken overtreffen.

In zijn boek De ontplofte aap (2005) legt bioloog, paleontoloog en directeur van het Natuurmuseum Rotterdam Jelle Reumer een verband tussen invasieve soorten en de mens als invasieve soort. Het boek staat vol met bijzondere voorbeelden zoals de verspreiding van het Deens lepelblad. Het plantje houdt van een beetje zout en kwam daarom in eerste instantie alleen langs de Nederlandse kust voor, maar wist zich te verspreiden door winterse zoutstrooierij.

‘Door dat pekelen is de saliniteit van de Nederlandse hoofdwegen vergelijkbaar met het zoutgehalte van de door de zilte zeewind geteisterde kuststrook. Als gevolg van deze verstoring kon Cochlearia danica kans zien om vanuit de kust het binnenland te veroveren. De planten groeien intussen tot in Midden-Duitsland. Kustplanten! In april kleuren de bermen van onze snelwegen wit van de lepelbladbloempjes.’ (Reumer, De ontplofte aap, blz. 83)

Reumer stelt dat een (door de mens) verstoorde milieu een randvoorwaarde is voor de succesvolle vestiging van invasieve soorten (Reumer, De ontplofte aap, blz. 70). En voegt daar later fijntjes aan toe dat het hele Nederlandse cultuurlandschap verstoorde habitat is. In de lijn van Bas Baring vraag ik me dan af of je niet naar een andere definitie toe moet als je alles verstoord noemt. Het zit gewoon minder prettig in je tuin als je het alleen nog als een verstoord milieu kan zien.

Kortom: de overlast staat buiten kijf, maar de poëzie van het bewuste én onbewuste transport van soorten ook, dus ik neem graag een voorbeeld aan de wijze waarop exoten zich verplaatsen en bepleit hier vandaag de Haarlemmermeerpolder als opvangplek van exoten die op Schiphol strandden. Rode Kruis, zet bij calamiteiten geen veldbedden neer op Schiphol, maar in de Haarlemmermeerpolder, zodat reizigers zich als zaden kunnen verspreiden rond de luchthaven en kennis kunnen nemen van een stuk Nederland waar ze anders aan voorbij zouden zijn gereden. Maak van de Haarlemmermeerpolder de meest exotische plek van Nederland. Leve de invasieve exoten! Leve de co-creatie van mens en natuur!

Sjaak Langenberg, 7 april 2013, t.g.v. de opening van Stellingname in Fort Vijfhuizen

 

 

bg4.jpg
coastal scheveningen zandmotor zee artist research water dat cultural artists satellietgroep was new art sea project badgast with from